![]() |
|
Thema's vanaf 2000 > 2005| perspectieven op planning (2005 - 5) | Revanchisme (2005 - 4 ) | Kennisstad (2005 - 3) | Identiteit (2005 - 2) | Wetenschap en beleid (2005-1) |Kennisstad (2005 - 3)
-- Bestel dit nummer hier. --
Verstrikt in het innovatienetwerk Een kritische beschouwing over de rol van ruimte voor innovatie Rogier van der Groep, Roderik Ponds, Moniek Perquin & Frank van Oort Sinds Perrouxs groeipoolbenadering in 1950 een ruimtelijke component toevoegde aan de innovatietheorie van Schumpeter, wordt er een discussie gevoerd over de rol van nabijheid bij de totstandkoming van innovaties. Opvallend is dat steeds meer op sociaal ingebedde relaties gehamerd wordt en steeds minder op de invloed van ruimte of fysieke nabijheid. AGORA presenteert een aantal artikelen dat dit beeld bevestigt. Naar voren komt dat de regio wellicht een decor vormt van interactie, maar geen sturend instituut is. Doet de overheid er verstandig aan om kenniseconomie te stimuleren vanuit het clusteringperspectief? Geniet van geografie, maar gebruik haar met mate, zo lijkt de gedachte. Tot in de jaren zeventig meenden veel economisch geografen en ruimtelijke economen dat bedrijven die bij elkaar in de buurt gevestigd zijn op verschillende manieren van elkaar kunnen profiteren. Zo kunnen ondernemers de investeringskosten ten behoeve van een gezamenlijke infrastructuur delen, kan uit een specifieke arbeidsmarkt geput worden en kunnen transacties tussen actoren efficiënter verlopen. Deze veronderstelling genoot belangstelling onder wetenschappers en beleidsmakers totdat in de jaren tachtig de kracht van de nabijheid tanende leek door verschillende mondialiseringprocessen. Verbeterde communicatietechnieken en transporttechnieken maakten het mogelijk dat waardeketens meer dan voorheen uiteengerafeld werden met desastreuze gevolgen voor de vermaarde industriële districten van Noord-Engeland, het Ruhrgebied en het noordoosten van de Verenigde Staten. De rol van de ruimtelijke wetenschappen om de economische orde te verklaren en te modelleren leek hiermee uitgespeeld en ook de mogelijkheden voor nationale, regionale en lokale beleidsmakers om een economisch beleid door te voeren leek een onmogelijke opgave geworden. Sterker, onder aanvoering van Reagan in de Verenigde Staten en Thatcher in Engeland, werd in de jaren tachtig een soort niet-beleid doorgevoerd dat gestoeld was op de gedachte dat meer regels, hogere belasting en te veel macht voor werknemers de kans alleen maar vergroten dat bedrijvigheid nog meer wegvlucht naar andere (lage lonen) gebieden. Hoewel dit angstscenario nog steeds gemeengoed is en de beleidsagenda van de Europese Unie en de Verenigde Staten domineert, deed de publicatie van het boek The Second Industrial Divide van Piore en Sabel in 1984, over de opkomst van een design en textielcluster in het noorden en het midden van Italië, de discussie over de rol van de regio weer langzaam op gang komen. Ruimtelijk georiënteerde onderzoekers bestudeerden ook andere nieuwe industriële districten, zoals Silicon Valley, Cambridge en Beieren, die uit het niets leken te ontstaan. De verklaring voor het succes van deze regios lag volgens onderzoekers als Allen Scott, Michael Storper en Phil Cooke in de manier waarop entrepreneurs informatie bewust en onbewust uitwisselen. Zogenaamde informatie-spillovers in deze districten leveren kennis op die nergens anders te vinden is en bovendien eigenlijk alleen face-to-face overdraagbaar is. De veronderstelling is vervolgens dat deze regios, waar specifieke en unieke kennis aanwezig is, uit kunnen groeien tot innovatieve clusters. Op haar beurt levert dit - met Schumpeter in het achterhoofd - een concurrentievoordeel op ten opzichte van andere regios die zn weerga niet kent. Wanneer men deze gedachte combineert met de observatie dat veel productieoutlets in de jaren zeventig en masse naar Zuidoost-Azië zijn verplaatst, Japan sinds de jaren vijftig ook hightech-clusters bezit en India op weg is om het callcenter en ICT-cluster van de wereld te worden, dan zou men tot de conclusie kunnen komen dat innovatie het enige is wat westerse economieën nog draaiende houdt. Hierdoor blijft de discussie over innovatieve regios niet beperkt tot de ruimtelijk-economische wetenschapswereld. Zij raakt ook veel beleidsmakers en politici die met behulp van deze visie proberen achtergestelde gebieden aan te pakken en gebieden met potentie te stimuleren. Zo ook in Nederland. In 2004 is door het ministerie van Economische Zaken het rapport Pieken in de Delta gepresenteerd dat een relatie legt tussen de regio en innovatiemogelijkheden. Er is bijvoorbeeld in te lezen dat een gebiedsgerichte economische agenda de concurrentiepositie van Nederland kan versterken. Dit houdt in dat subsidies om ondernemers te stimuleren niet uitsluitend van nationale aard dienen te zijn, maar deels afhankelijk moeten worden gemaakt van de gebieden waar de investeringen plaatsvinden. De overheid dient zich met name te richten op de gebieden die potentie hebben om uit te groeien tot zogenaamde pieken. De artikelen Als reactie op dit beleid en de wetenschappelijke discussie in het algemeen is door AGORA en het Ruimtelijk Planbureau besloten om een themanummer te wijden aan innovatie en kennisnetwerken. Net als Stedenbouw & Ruimtelijke Ordening (S&RO) in haar themanummer over innovatie zal aangeven, constateren wij dat regios tegenwoordig als motoren van de mondiale economie worden gezien. Daar waar S&RO echter kiest voor een brede benadering van het begrip innovatie, heeft AGORA een beperktere invalshoek gekozen. Wij vragen ons af of innovatiebeleid dat zich richt op de regio überhaupt wel zinvol is. Wordt, zoals ook Hospers, Van de Wiel en Boekema in Geografie in 2004 al aangaven, niet teveel gelet op de hardware (ofwel: het bij elkaar brengen van bedrijven) en te weinig op de software van innovatie (dat is: de rol van historisch gegroeide sociale relaties tussen actoren)? Het blijkt namelijk, zoals Van Brussel en Ponds in hun artikel Ruimte voor samenwerking constateren, dat essentiële kennisuitwisseling plaatsvindt in sociale netwerken die niet per definitie ruimtelijk geconcentreerd zijn, maar wel gestimuleerd kunnen worden door nabijheid van ondernemers. Hiermee sluiten Brussel en Ponds aan bij een relatief nieuw wetenschappelijk debat binnen de economische geografie en ruimtelijke economie dat nabijheid niet als cruciale factor erkent voor innovatieprocessen, maar eerder als mogelijk substituut wanneer andere factoren, zoals instituties en sociale relaties, ontbreken om een hechte netwerkstructuur op te bouwen. Vanuit deze gedachte proberen wij tevens het wetenschappelijke debat te versterken door aan de hand van casestudies de functie van samenwerking tussen actoren in regios en clusters nog eens kritisch te bespreken. Opvallend is bijvoorbeeld dat Lambregts, Röling en Van der Werff in hun artikel over hoogwaardige zakelijke dienstverlening in de Randstad de rol van de agglomeratie als arena van interacterende actoren nogal nuanceren. Zij concluderen dat het niet direct duidelijk is dat de stad een rol speelt bij kennisverwerving en dat wellicht eerder het mondiale netwerk van partners en klanten deze rol moet worden toegedicht. Dat deze klanten daarbij vaak in de regio gevestigd zijn, heeft meer te maken met een ouderwetse afzetmarkthiërarchie, die ondanks mondialisering en krimpende tijd-ruimtepaden grotendeels nationaal afgebakend is, dan met theoretisch veronderstelde informatie en kennis-spillovers. Tot een vergelijkbare conclusie komt ook Weterings, die in haar artikel aantoont dat de belangrijkste bron van innovatie voor ICT-bedrijven te vinden is in hun specifieke klantenkring waar maatwerk geleverd moet worden en face-to-face onderhandeld wordt over het eindproduct. Dat deze specifieke klantenkring te vinden is in de regio versterkt het vermoeden dat nabijheid wederom van secundair belang is, maar wel historisch gegroeide banden tussen vragers en aanbieders blootlegt. Duidelijk wordt dat mondialisering weliswaar een tendens is waar rekening mee gehouden dient te worden, maar dat verbeterde communicatie en transporttechnieken het werkveld van ondernemers niet drastisch veranderen. Eerder versoepelen zij de gangbare ruimtelijke beperkingen enigszins, zoals Luuk Boelens in dit themanummer onderschrijft. De vraag is dan wel wat er rest van al die goed beredeneerde National Innovation Systems, Learning Districts en Millieux Innovateurs. Is de rol van informatie als drager van een lokale economie nu schromelijk overdreven of missen we in Nederland cruciale factoren om echt een regionaal kenniscluster te ontdekken danwel te ontwikkelen? In een interview wijst Phil Cooke op het belang van regiospecifieke factoren en introduceert hij het begrip complicit knowledge als cruciaal element voor het verklaren van regionale verschillen. Dit type kennis vormt volgens Cooke de brug tussen impliciete en expliciete kennis, waarbij impliciete kennis de specifieke kennis is die een persoon, een bedrijf, of een instelling in huis heeft en expliciete kennis de uiteindelijke kennis is die de entrepreneur in staat stelt om innovaties om te zetten in verkoopbare producten en diensten. Om deze slag te slaan dienen er in een regionaal innovatief systeem actoren aanwezig te zijn die over kennis van meerdere subsystemen beschikken, oftewel over complicit knowledge. Een methode om deze complicit knowledge te generen wordt onder andere genoemd door Brouwer en Westendorp. Zij veronderstellen dat het economisch beleid in Noord-Nederland de beste kans van slagen heeft wanneer zij zich specifiek richt op startende ondernemers in kennisgerelateerde sectoren. Dit betekent niet alleen dat er sprake moet zijn van regionale investeringspremies - voorheen gebruikelijk voor Noord-Nederland - maar ook van het coördineren van forums waar onderzoekers en ondernemers elkaar kunnen ontmoeten en kennis en informatie kunnen uitwisselen. Tot slot meent een aantal auteurs in dit themanummer dan ook dat regionaal beleid wel degelijk zin kan hebben. Zo tonen Raspe en Van Oort in hun artikel aan dat universiteitssteden niet alleen een hoger aantal Research & Development-bedrijven hebben, maar dat in deze steden ook meer verdiend wordt door het bedrijfsleven. Zij concluderen dat overheden wel degelijk op de goede weg zijn wanneer zij in hun beleid inzetten op kennisregios. Economisch beleid, zo blijkt uit veel van deze artikelen, dient rekening te houden met de specifieke context in elke regio. Uiteindelijk zal er vanuit een nationaal perspectief maatwerk geleverd moeten worden dat regionaal economisch beleid kansen van slagen geeft. Daarom is het geen slecht idee om het economisch beleid over te laten aan lagere regios en hen geen geforceerde blauwdruk op te leggen die bedacht is in Den Haag of Brussel. Op lokaal niveau kan immers het best worden ingeschat waar mogelijkheden tot samenwerking gevonden kunnen worden en op welke sector deze zich moet richten. Wellicht ontstaat er dan een beleid om ruimtelijk geconcentreerde innovatienetwerken te stimuleren, dat misschien minder gestructureerd en mogelijk zelfs lichtelijk chaotisch tot stand komt, maar de onderliggende sociaal-historische structuren respecteert. Rogier van der Groep en Moniek Perquin zijn redacteur van AGORA. Roderik Ponds en Frank van Oort zijn werkzaam bij het Ruimtelijk Planbureau en als gastredacteur bij de totstandkoming van dit nummer betrokken. Literatuurselectie Boschma, R. A. (2005) Proximity and innovation: a critical assessment. In: Regional Studies 39, 1, pp. 61-75. Hakvoort, J. & R. van de Wouden (red.) (2005) Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening: Kennis en innovatie. Hospers, G. J., Wiel, E. van de & F. Boekema (2004) Kenniseconomie en regionale ontwikkeling; van groeipool tot innovatief milieu. In: Geografie, april 2004. Ministerie van Economische Zaken (2004) Pieken in de Delta. Den Haag. Piore, M.J. & C.F. Sabel (1984) The second industrial divide, possibilities for prosperity. New York: Basic Books. Porter, Michael E. (1998) Clusters and the new economics of competition. In: Harvard Business Review 76, 6, pp. 77-90. Scott, A.J. (2000) Regions and the world economy, the coming shape of global production, competition and political order. Oxford, New York: Oxford University Press. Storper, M. (1997) The regional world, territorial development in a global economy. New York, London: The Guilford Press. Inhoudsopgave Kennisstad Van kennissteden naar kennisnetwerken; Een kritische beschouwing over de rol van ruimte voor innovatie Rogier van der Groep, Roderik Ponds, Moniek Perquin & Frank van Oort Sinds Perrouxs groeipoolbenadering in 1950 een ruimtelijke component toevoegde aan de innovatietheorie van Schumpeter, wordt er een discussie gevoerd over de rol van nabijheid bij de totstandkoming van innovaties. Opvallend is dat steeds meer op sociaal ingebedde relaties gehamerd wordt en steeds minder op de invloed van ruimte of fysieke nabijheid. AGORA presenteert een aantal artikelen dat dit beeld bevestigt. Naar voren komt dat de regio wellicht een decor vormt van interactie, maar geen sturend instituut is. Doet de overheid er verstandig aan om kenniseconomie te stimuleren vanuit het clusteringperspectief? Geniet van geografie, maar gebruik haar met mate, zo lijkt de gedachte. Ruimte voor samenwerking Judith van Brussel & Roderik Ponds Kenniseconomie is hot. Nederland en Europa moeten innovatiever worden. In het Lissabon akkoord werd investeren als belangrijkste middel gezien om dat te bereiken. Nederland probeert dit middels het Innovatieplatform en het promoveren van regio Eindhoven tot brainport door het ministerie van Economische Zaken. Niet alleen Eindhoven profileert zich echter als kennisregio: iedere regio lijkt zich te willen profileren als nieuwe Silicon Valley. Het toverwoord is clusterbeleid: het stimuleren van ruimtelijke concentraties van ICT, biotechnologie of andere hightech sectoren. Vormt de ruimtelijke nabijheid de sleutel tot succes? De succesvolle regio; Phil Cooke over Regionale Innovatie Systemen Roderik Ponds & Moniek Perquin Innovatie vormt de sleutel tot economisch succes. Regionale verschillen in economische prestatie zijn het gevolg van ruimtelijke verschillen in de ontwikkeling van innovatie. De vraag waarom bepaalde regios innovatiever zijn dan andere houdt wetenschappers en beleidsmakers al jaren bezig. Om deze vraag te beantwoorden zijn diverse theorieën ontwikkeld. Eén van de meest spraakmakende concepten komt van de hand van professor Phil Cooke. Hij introduceerde het idee van het Regionale Innovatie Systeem (RIS). Wij spraken hem over zijn inzichten op de Rotterdamse Kop van Zuid, waar hij een van de hoofdsprekers was op het congres Regional Competitiveness. Universiteiten in de stedelijke kenniseconomie Otto Raspe & Frank van Oort Nota Ruimte van VROM en nota Pieken in de Delta van EZ benadrukken de regionale dimensie van de Nederlandse kenniseconomie. De universiteiten wordt hierin een belangrijke rol toegedicht. In alle economische kerngebieden, die door het Kabinet in de Ruimtelijke Hoofdstructuur zijn benoemd, zijn één of meer universiteiten aanwezig. Kennisclusters rond de universiteiten bieden volgens de notas belangrijke aanknopingspunten voor kennis- en productiviteitsontwikkeling. Bovendien kan er een economische spin-off van universiteiten uitgaan door de startende bedrijven die zich graag in de nabijheid van de universiteiten vestigen. De vraag is echter of universiteitsregios zich wel kenmerken door een dergelijke bijzondere ruimtelijk-economische dynamiek. Ruimtelijke planning van telematica; Technologische veranderingen en haar ruimtelijke consequenties Luuk Boelens De ruimtelijke benadering en interpretatie van telematica is nog jong. Na enkele futurologische studies houden ruimtelijke planners en onderzoekers zich sinds een jaar of vijftien serieus bezig met de telecommunicatierevolutie. Vooralsnog gaan deze studies overwegend over de gevolgen voor de bestaande hiërarchie in het wereldstedennetwerk, de gelaagde structuur van het telematicalandschap of op zijn best enkele telematische experimenten, passend binnen het bestaande Cartesiaanse begrip van tijd en ruimte. De belangrijkste slag dient dus nog gemaakt. Een perspectiefwisseling waarbij ICT niet als drijvende kracht, maar eerder als randvoorwaarde wordt gezien, opent een onderzoeks- en ontwerpterrein voor een bredere benadering van ICT. Piekeren in de delta, zoeken naar samenhang Michiel Scheffer Pieken in de Delta, de Innovatiebrief en een Innovatieplatform, de belofte van een jaarlijkse Industriebrief. Onwillekeurig gaat men denken dat innovatie echt een aandachtspunt in de nationale politiek is geworden. Op Europees niveau is er sprake van de Lissabon-doelstelling. De wens om de meest dynamische economie te worden spreekt zeer aan, maar de halfslachtigheid in de uitvoering maakt moedeloos, dan wel cynisch. In dit artikel wordt het beleid uit de sfeer van concepten en vergezichten gehaald en wordt gekeken naar de praktische uitvoering. De stad als decor voor kennisontwikkeling in de zakelijke dienstverlening Bart Lambregts, Robert Röling & Merijn van der Werff De stad biedt een aantrekkelijke vestigingsplaats voor zakelijke dienstverleners mede omdat deze functioneert als een belangrijke bron van kennis en informatie, zo luidt een veelgehoorde stelling. Gaat deze redenering echter nog wel op nu steeds meer zakelijke dienstverleners zich in internationale netwerken organiseren en er steeds meer informatie on-line beschikbaar komt? Uit een flink aantal gesprekken met in de Randstad gevestigde dienstverleners blijkt dat de stad hooguit een secundaire rol speelt als het gaat om de verwerving van kennis en informatie. Kennisuitwisseling en ruimtelijke nabijheid tussen bedrijven; Relaties tussen softwarebedrijven en hun klanten in Nederland Annet Weterings Bedrijven gevestigd in clusters zijn innovatiever dan andere bedrijven, omdat ruimtelijke nabijheid tussen bedrijven kennisuitwisseling stimuleert. Deze aanname, die ten grondslag ligt aan de innovatie geografie, is opgepikt door vele beleidsmakers die proberen regionaal economische groei te stimuleren door clusters van innovatieve bedrijven te creëren. Maar stimuleert ruimtelijke nabijheid tussen bedrijven wel kennisuitwisseling? Deze vraag wordt beantwoord in dit artikel voor de relatie die Nederlandse softwarebedrijven met hun klanten hebben. Is regionaal geld noodzakelijk voor ontwikkeling?; Investerings Premie Regeling in Noord-Nederland Aleid Brouwer & Jeroen Westendorp Het regionaal beleid in Nederland is steeds vaker gericht op efficiëntie. Het gelijkheidsprincipe, waarbij getracht wordt de economische achterstand in met name de drie noordelijke provincies weg te werken, is verlaten. Hierdoor komen veel regionale subsidies onder druk te staan. Dit artikel schenkt aandacht aan één van de belangrijkere regionale subsidies voor Noord-Nederland: de Investerings Premie Regeling (IPR). De vraag die gesteld wordt, is of de IPR een hulpmiddel is om het innovatieve vermogen van een regio te vergroten. Hoe effectief is de IPR geweest? En wat is de toekomst voor dit beleidsinstrument nu de toekomstige fondsen onzeker zijn? Varia Venster op het verleden, deur naar de toekomst; De politiek van een gerenoveerd park in Cuenca, Ecuador Christien Klaufus De herinrichting van het centrale park in de historische binnenstad van Cuenca in Ecuador markeert de politieke besluitvorming en de omgang met culturele representaties in een samenleving die als gevolg van de mondialisering in hoog tempo verandert. Met de herinrichting van het park wilde de lokale overheid een authentiek, historisch stadsbeeld reproduceren. De vraag rijst echter in hoeverre de renovatie van het park bijdraagt aan het behoud van culturele eigenheid. Viva Otrobanda!; De herovering van een Curaçaose stadswijk Liza de Laat Diverse auteurs hebben gewezen op een proces van ontruimtelijking, waarbij plaatsen onder invloed van marktwerking worden gereconstrueerd tot gesimuleerde en gethematiseerde omgevingen. Dergelijke beschouwingen hebben echter veelal het Angelsaksische grondgebied op het oog. Dit artikel schetst de recente transformatie van een historische stadswijk in Willemstad, Curaçao, tot een postmodern themapark. Recensie Setha Low (2004) Behind the gates. Life, security, and the pursuit of happiness in fortress America. New York en Londen: Routledge. Lisan Wilkens (2004) Staat Nederland open voor gesloten wonen? Een stadssociologisch onderzoek naar gated communities. Doctoraalscriptie Stadssociologie, Universiteit van Amsterdam. |