![]() |
|
Thema's vanaf 2000 > 2008| Kunst (2008-1) | Heilige Grond & Olympische Steden (2008-2) | Zuidas & Zelfbouw (2008-3) | Imaginaire Stad (2008-4) |Kunst (2008-1)
-- Bestel dit nummer hier. -- De stad als kunstlandschap Auteurs Marloes Wevers, Yvonne Rijpers & Martin Zebracki Het belang van kunst voor de stad lijkt in onderzoek naar de creatieve klasse, de levensstijl van hoogopgeleide kenniswerkers en gentrificationprocessen al lang en breed in kaart gebracht. In dat soort studies wordt kunst echter uitsluitend als een middel tot een hoger economisch of sociaalmaatschappelijk doel beschouwd. AGORA pleit voor een benadering met meer verbeeldingskracht. Als er één kunstenaar is die de afgelopen tijd in de Lage Landen uitgebreid in de belangstelling heeft gestaan, dan is het de in Salt Lake City geboren Paul McCarthy (1945) wel. Afgelopen zomer trok een spraakmakende tentoonstelling van zijn monumentale opblaasbare sculpturen AIR BORN - AIR BORNE - AIR PRESSURE in het Middelheimmuseum in Antwerpen meer dan honderdduizend bezoekers. Op de daarna volgende indrukwekkende overzichtstentoonstelling Head Shop / Shop Head (works 1966-2006) in het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst in Gent, die van oktober tot februari jl. te zien was, kwamen bijna vijftigduizend mensen uit binnen- en buitenland af. McCarthy's oeuvre bestaat uit sculpturen, installaties, performances en videokunst waarin seks, zelfmarteling en ketchup een belangrijke rol spelen. Zijn werk beangstigt en shockeert, maar getuigt tegelijkertijd van grote humor en maatschappelijke visie. Deze internationaal gevierde kunstenaar werd in 2003 door de adviescommissie van de Rotterdamse Internationale Beelden Collectie uitgenodigd om een openbaar kunstwerk te maken voor de Rotterdamse binnenstad. Het resultaat was Santa Claus, ook wel Santa with Butt Plug genaamd: een zes meter hoge kerstman in brons, die in zijn ene hand een grote kerstklok houdt en in zijn andere een gestileerde kerstboom of - voor wie het zien wil - een reuzendildo. De aanbesteding voor bijna drie ton haalde vroegtijdig het nieuws en ontaardde in een publieke rel. "Welk onfatsoenlijk mens heeft bedacht om hier in Rotterdam een enorm groot en grof beeld neer te zetten?" vroeg de schrijver van een van de vele ingezonden brieven in het Rotterdams Dagblad zich af. "Vulgair, dat is hiervoor het juiste woord." Nog voor Santa Claus goed en wel gegoten en naar Nederland verscheept was, werd onder aanvoering van CDA en VVD, en met steun van Leefbaar Rotterdam, door de gemeenteraad besloten het obscene beeld niet in de openbare ruimte te plaatsen. Na veel getouwtrek werd de kerstman uiteindelijk op het binnenterrein van Museum Boijmans Van Beuningen geplaatst. Als het verhaal rond Santa Claus daarmee afgesloten was, zou het slechts een van de vele voorbeelden zijn geweest van aanstootgevende kunst in de openbare ruimte die na een hoop opschudding uiteindelijk het onderspit delft. Wat schetst echter onze verbazing? In december 2007 haalde 'Kabouter Buttplug', zoals het werk in de volksmond wordt genoemd, opnieuw het nieuws. Ditmaal omdat de Rotterdamse VVD-fractie zich heeft bedacht. Ze wil het controversiële beeld bij nader inzien toch in de drukke binnenstad geplaatst zien - zoals nadrukkelijk door McCarthy en de adviescommissie van de Internationale Beelden Collectie bedoeld was. "Dit beeld mag gezien worden, ongeacht de associaties die het oproept," aldus VVD-er Kees de Gruiter. Waarom de liberalen van gedachten zijn veranderd, wordt niet hardop gezegd, maar het heeft er alle schijn van dat het samenhangt met het overduidelijke succes van de Vlaamse exposities van McCarthy's werk. Ineens lijkt het tot de bestuurders door te dringen dat de stad aan de Maas haar slogan Rotterdam Durft! en haar naam op cultureel gebied met Santa Claus waar kan maken. Bij plaatsing in de openbare ruimte heeft Rotterdam dan ook inderdaad iets unieks, want het is vooralsnog de enige publieke sculptuur van McCarthy ter wereld. Kunst en de stad Eind jaren tachtig van de vorige eeuw trad er een kentering op in de jarenlange trend van suburbanisatie en stedelijk verval. De noodlijdende stedelijke economie beleefde een heropleving door de vestiging van nieuwe bedrijven en voorzieningen onder invloed van hoogopgeleide jongeren die er, anders dan de voorgaande generatie, voor kozen om in de stad te blijven wonen en werken. Bij deze omslag van de industriële naar de postindustriële stad en de gevolgen daarvan is door sociaalruimtelijke onderzoekers en theoretici uitvoerig stilgestaan, en AGORA heeft zich op dit terrein de afgelopen jaren evenmin onbetuigd gelaten. In 2004 hielden we de met name in stedelijke beleidskringen populaire theorie van Richard Florida, die hij uiteenzette in The rise of the creative class (2002), kritisch tegen het licht (2004-5 Creatieve steden). Een jaar later stonden we stil bij de ruimtelijke gevolgen van het toenemende belang van de kenniseconomie (2005-3 Kennisstad) en verkenden we in het kielzog van Sharon Zukin en Neil Smith het verschijnsel gentrification en de perverse gevolgen daarvan voor zwakke bevolkingsgroepen in de stedelijke samenleving (2005-4 Revanchisme). In het derde nummer van de vorige jaargang ging AGORA in De Krachtige Stad (2007) in op de nieuwste trends in het stedelijk beleid en de nadruk die daarin gelegd wordt op het aantrekken en vasthouden van cultuurminnende, kosmopolitisch georiënteerde en kapitaalkrachtige groepen door in te zetten op hoogwaardige culturele voorzieningen, restaurants en gezellige winkelstraten met een groot en gevarieerd aanbod. Wat opvalt als we al deze samenhangende ontwikkelingen in onderzoek en beleid beschouwen, is de centrale rol van kunst en de vele positieve effecten die daaraan worden toegedicht, ondanks het feit dat de empirische argumenten daarvoor vaak ontbreken. Er wordt bijvoorbeeld verondersteld dat publieke kunstwerken het gebruik van de openbare ruimte kunnen veraangenamen en zo de leefbaarheid vergroten. Beeldbepalende sculpturen en prestigieuze musea zouden een bijdrage leveren aan 'city marketing'. De organisatie van kunstprojecten in woonbuurten stimuleert publiek-private samenwerking op lokaal niveau en versterkt de sociale cohesie, beweert men. En hoe meer galeries, 'broedplaatsen', podia en musea, hoe groter de aantrekkingskracht van de stad op die zo gewilde creatieve klasse, aldus Florida's profetieën. Het succes van de McCarthy-tentoonstellingen in Antwerpen en Gent, en vele andere museale kaskrakers (bijvoorbeeld René Magritte in Brussel (1998), Hans Holbein in Den Haag (2003) en Andy Warhol in Amsterdam (2007)), toont aan dat kunst inderdaad als toeristische attractie kan fungeren en dus een stimulans kan zijn voor de stedelijke economie. Dat Rotterdam ondanks de controverse nu toch overweegt haar Santa with Butt Plug in de openbare ruimte te exposeren, geeft aan dat men daar hoe dan ook een gunstige invloed van verwacht. Sociaalruimtelijke onderzoekers besteden met andere woorden terecht aandacht aan deze beleidsrealiteit, al was het alleen maar om te bepalen of die positieve effecten al dan niet optreden. Dat kunst in al deze benaderingen uitsluitend als een middel tot een hoger economisch of sociaalmaatschappelijk doel wordt beschouwd, lijkt echter weinigen op te vallen. Doorgaans staat men wel stil bij de rol die kunst vervult voor de stad, maar lijkt de vraag welke rol de stad speelt voor de kunst voor ruimtelijke onderzoekers veel minder vanzelfsprekend. In dit themanummer wil AGORA tonen dat die omkering niettemin tot vruchtbare inzichten leidt. Publieke kunst De plek waar kunst en stedelijkheid op de meest in het oog springende wijze met elkaar samenhangen, is de openbare ruimte. De voorbeelden van kunstwerken op pleinen en in parken zijn schijnbaar oneindig en bovendien van alle tijden. Gezagshebbers plaatsten vroeger bij voorkeur monumentale beelden van zichzelf op straat, liefst in militair tenue en hoog te paard, om het volk aan hun macht te helpen herinneren en ontzag in te boezemen. Tegenwoordig wordt die traditionele aanwending van kunst als politiek statement misprijzend 'sukkels op sokkels' genoemd. In plaats daarvan vervullen openbare kunstwerken thans vaak esthetische en maatschappelijke functies. Daar waar de openbare ruimte functioneert, of wil functioneren, als publiek domein, als een plek waar een dialoog of debat wordt gevoerd, is kunst bijzonder op haar plaats. Niets lijkt immers beter in staat vanzelfsprekende betekenissen, dagelijkse praktijken en impliciete regels ter discussie te stellen dan een kunstwerk. Zo bezien verbaast het niet dat veel kunstenaars een opdracht voor de openbare ruimte aangrijpen om het functioneren van het publieke domein zelf aan de kaak te stellen, en dat leidt niet zelden tot hoogoplopende conflicten. AGORA presenteert in dit themanummer drie artikelen die licht werpen op de relaties tussen kunst en openbare ruimte. In de eerste plaats is het voor een goed begrip van de verhouding tussen de stad en publieke kunst van belang dat men zich realiseert dat de uitvoering van een artistiek project een proces is waarin opdrachtgevers, eigenaren van grond en onroerend goed, bestuurders, beleidsmakers, omwonenden en kunstenaars samen een complex actorenveld vormen. De Stichting Kunst in de Openbare Ruimte (SKOR) weet daar alles van. Al jaren houdt zij zich bezig met het begeleiden, adviseren en financieel ondersteunen van initiatieven voor kunst op publieke locaties. Theo Tegelaers, die bij SKOR werkzaam is, stond ons een kijkje in de keuken toe en vond in Martin Zebracki een kritische gesprekspartner. In het tweede artikel in onze selectie staat de functie en het effect van kunstwerken in de openbare ruimte centraal. Ten tijde van de DDR (1949-1990) zette het Verband Bildender Künstler der DDR zich op het metrostation Alexanderplatz in Oost-Berlijn in voor het propageren van het socialistische ideaal. Na de val van de Muur nam het Neue Gesellschaft für bildende Kunst het initiatief over, en deze organisatie verzorgt tot op de dag van vandaag tijdelijke exposities voor het reizende publiek. Carlos Lópes Galvis en Yvonne Rijpers onderzochten een aantal kunstwerken en hun uitwerking op veelal nietsvermoedende passanten. Tot slot kunnen we moeilijk heen om de strijd die zo vaak rond publieke kunst ontstaat. Malcolm Miles maakte in zijn studie Art, space, and the city (1997) al eens duidelijk dat de schaarse voorbeelden van kunstwerken die er in slagen om algemene publieke goedkeuring te krijgen, vrijwel zonder uitzondering verbeeldingen zijn van dieren of kunstig vormgegeven fonteinen en waterpartijen. Ieder kunstwerk dat iets meer risico neemt, staat garant voor controverse. Alexandra Schüssler doet in het derde artikel van dit themanummer de opwindende geschiedenis van het kunstwerk Arc de Triomphe uit de doeken, door het kunstenaarscollectief Gelitin gemaakt voor een centraal gelegen plein in Salzburg. Straatkunsten Een andere samenhang tussen kunst en stedelijkheid die AGORA graag wil belichten, is de grote stad als artistiek klimaat, waarin ruimte is voor culturele innovatie en waar kunstzinnige ontwikkeling gestimuleerd en gevoed wordt. Sir Peter Hall toonde in zijn vuistdikke magnum opus Cities in civilization (1998) al de samenhang aan tussen de bloeiperiodes van steden en creatieve vernieuwing. Denk bijvoorbeeld aan het vijftiende-eeuwse Florence en haar betekenis voor de Europese schilder- en beeldhouwkunst, het Wenen van rond 1800 en haar vooraanstaande positie in de (nu klassieke) muziek en de cruciale rol van Parijs in het fin de siècle voor de ontwikkeling van het impressionisme. Twee hedendaagse kunststromingen die ondenkbaar zijn zonder de grote stad als broedplaats zijn 'underground' expressievormen als skaten, hiphop en breakdance, die zich hebben ontwikkeld tot podiumkunsten, en street art: een recalcitrante vorm van beeldende kunst die letterlijk onlosmakelijk verbonden is met de stedelijke gebouwde omgeving. De eerste trend wordt in deze AGORA geïllustreerd door een interview van Mischa Dekker en Stefan Sweijen met Marco Gerris, oprichter van het instituut ISH. ISH is een zeer succesvol initiatief dat talentvolle jongeren uit een multiculturele doelgroep de kans geeft om zich te ontwikkelen in een creatieve discipline die voortkomt uit de straatcultuur. Dit toont bovendien aan dat kunst kan worden ingezet om de educatieve ontplooiing en culturele competenties van stedelijke jeugd te bevorderen. Voor veel kunstuitingen geldt dat je er niet te veel over moet praten, maar er gewoon naar moet kijken. Die stelling gaat zeker op voor street art en daarom heeft AGORA voor het eerst besloten tot het plaatsen van een beeldverhaal. De fotos worden begeleid door een uiteenzetting van Yvonne Rijpers over de kunst van sjabloneren, cut-outs, stickeren en graffiti en hoe en waarom Berlijn de hoofdstad van deze (quasi-)illegale kunstvorm is geworden. Stad in de kunst De laatste invalshoek op de samenhang tussen kunst en de stad die in dit nummer aan de orde wordt gesteld, is de representatie van stedelijkheid in de kunsten. We draaien het met andere woorden dus eens om, want het is van alle tijden dat kunstenaars zich laten inspireren door de stedelijke omgeving. Denk aan de vele stadsgezichten die de muren van de musea sieren, zoals Gezicht op Delft (1661) van Johannes Vermeer, en de impressies van het stedelijke leven, zoals Café-terras aan het Place du Forum bij nacht, Arles (1888) van Vincent van Gogh en Victory Boogie Woogie (1942-1944) van Piet Mondriaan. Het laatste schilderij zou het dynamische leven van New York verbeelden. Ook in de popmuziek treft men veelvuldig de grote stad als thema aan en sommige muzikanten beschrijven op bijna antropologische wijze het alledaagse stadsleven, zoals Tom Waits op zijn album Swordfishtrombones (1983) of Lou Reed op New York (1989). Ook in andere kunstdisciplines liggen de voorbeelden van stedelijke verbeelding voor het oprapen. AGORA heeft uit dit enorme scala een artikel over speelfilm gekozen. Amerikaanse sociaal geografen en cultuurwetenschappers hebben veelvuldig onderzoek gedaan naar de representatie van steden en suburbs in Hollywoodfilms. Suburbs blijken het daarin consequent te moeten ontgelden en worden geportretteerd als oersaai en extreem burgerlijk. Marloes Wevers stelde zich in navolging van dit Amerikaanse voorbeeld de vraag hoe steden en buitenwijken in Nederlandse films worden verbeeld. We hopen dat de lezer door deze selectie van uiteenlopende casestudies en interviews, waarin verschillende artistieke disciplines centraal staan, een indruk krijgt van de veelzijdigheid van de relaties die er tussen kunst en de stad bestaan. Het vereist in sommige gevallen wat creativiteit en verbeeldingskracht om die te zien, maar de resultaten van onderzoek dat uit gaat van de stad als kunstlandschap mogen er naar onze mening wezen. Oordeel zelf. Marloes Wevers is stadssocioloog en docent bij de Universiteit van Amsterdam. Yvonne Rijpers is werkzaam bij Stipo kennisteam voor stedelijke ontwikkeling in Amsterdam. Martin Zebracki is promovendus kunstgeografie en -planologie aan de Faculteit Geowetenschappen van de Universiteit Utrecht. De auteurs zijn redacteur van AGORA. Literatuurselectie Florida, R. (2002) The rise of the creative class. New York: Basic Books. Hall, P. (1998) Cities in civilization: culture, innovation and urban order. New York: Pantheon. Holthof, M. (2007) De vreemde subversiviteit van Paul McCarthy. URBANMAG*, 3 juli 2007. Lehan, R.D. (1998) The city in literature: an intellectual and cultural history. Berkeley: University of California Press. Miles, M. (1997) Art, space, and the city. Public art and urban futures. Londen: Routledge. Rijpers, Y. (2007) Er was eens een stad. AGORA 23, 2, 35-37. Wevers, M. (2008) Who's afraid of Roosje? City & Community, special issue on ethnic diversity and public space. (forthcoming). Zebracki, M.M. (2007) Unpacking 'Public Artopia'. Public art as urban upgrading strategy? MSc thesis. Utrecht: Faculteit Geowetenschappen, Universiteit Utrecht. Zukin, S. (1995) The cultures of cities. Oxford: Blackwell. Inhoud: Kunst Kunst en de stad Inleiding - Marloes Wevers, Yvonne Rijpers & Martin Zebracki Kunst met sociaal engagement Interview - Martin Zebracki & Yvonne Rijpers Confronterende kunst in station Alexanderplatz Casestudie - Carlos López Galvis & Yvonne Rijpers Arc de Triomphe. Wiens triomf? Casestudie - Alexandra Schüssler Straatkunst op het hoogste podium Interview - Mischa Dekker & Stefan Sweijen Geen jeugdig geklieder, maar kunst Beeldverhaal - Yvonne Rijpers Het Nederlandse filmlandschap Essay - Marloes Wevers Varia Descartes, Simmel en moderne stedenbouw Essay - Kees Doevendans & Anne Schram Drie hoofdsteden en hun zustersteden Casestudie - Mendel Giezen Kantoren naast de automatische snelweg Casestudie - Raffael Argiolu Architectuur verstrikt in context Boekrecensie - Leeke Reinders Crimson Architectural Historians & Felix Rottenberg (2007) WiMBY! Hoogvliet: toekomst, verleden en heden van een new town. Of: Het grote WiMBY! boek. Rotterdam: NAi Uitgevers. ISBN 9789056625948. Plekken om bij stil te staan Scriptierecensie - Femke Meijer Vincent Breen (2006) Bermmonumenten. Plekken om bij stil te staan. Rijksuniversiteit Groningen, Faculteit der Ruimtelijke Wetenschappen, Culturele Geografie. |