Home
    Contact
    Thema's vanaf 2000
       2008
       2007
       2006
       2005
 

Thema's vanaf 2000 > 2008

| Kunst (2008-1) | Heilige Grond & Olympische Steden (2008-2) | Zuidas & Zelfbouw (2008-3) | Imaginaire Stad (2008-4) |

Imaginaire Stad (2008-4)

-- Bestel dit nummer hier. --

De verbeelding van de wereldstad
David Bassens, Heidi Hanssens & Lomme Devriendt

Wereldstedelijkheid is voor veel stadsbestuurders het hoogste doel. Steden die zich dit imago graag willen aanmeten, gebruiken daarbij veelal architectuur als discursief middel. Niets lijkt de wereldstad namelijk sterker te verbeelden dan een met talloze wolkenkrabbers gevulde skyline.


In 2004 verscheen het AGORA-themanummer Wereldstedennetwerk. In dit nummer werd de balans opgemaakt van het onderzoek naar wereldsteden, die sinds een artikel van John Friedmann en Goetz Wolff uit 1982 in het centrum van de sociaalwetenschappelijke aandacht staan. Het wereldstedenonderzoek werd erin belicht vanuit de visie van geograaf Peter Taylor en zijn Globalization and World Cities Research Network (GaWC). Deze visie is tot op de dag van vandaag de basis voor het overgrote deel van de wereldstedenliteratuur en bouwt voort op Manuel Castells’ ‘netwerkmaatschappij’, waarin de ‘space of flows’ de voorkeur krijgt boven de klassieke ‘space of places’. Hierdoor ligt binnen het wereldstedenonderzoek de aandacht in plaats van op territoriale gebieden, de ‘space of places’, op stromen en netwerken, de ‘space of flows’. Wereldsteden zijn cruciale knooppunten in grensoverschrijdende netwerken waardoor mensen, goederen, ideeën, beelden en data stromen. Voortbouwend op het GaWC-onderzoek vinden er tal van onderzoeken plaats die het wereldstedennetwerk vanuit een empirische invalshoek benaderen.
GaWC-onderzoeker Ben Derudder stelt dat er binnen de empirische literatuur over het wereldstedennetwerk twee type benaderingen kunnen worden onderscheiden: een bedrijfsorganisatorische en een infrastructurele benadering. De bedrijfsorganisatorische benadering vertrekt vanuit de opvatting dat connecties tussen steden ontstaan door de bedrijfsstrategie en het vestigingsgedrag van transnationale dienstenfirma’s, zoals accountancyondernemingen, reclamebureaus, banken, verzekeringsmaatschappijen, advocatenkantoren en management consultancy firma’s. Dit zijn de aanstuurders van het wereldstedennetwerk. Door de (wereld)stedelijke vestigingsstrategie van hun hoofdkantoren en filialen ontstaat er een netwerk waardoor informatie, goederen en personen stromen. In deze tak werd vooruitstrevend onderzoek verricht door professor Peter Taylor en zijn GaWC-onderzoeksgroep en de sociologen Arthur Alderson en Jason Beckfield.
De infrastructurele benadering gaat daarentegen uit van Stephen Graham en Simon Marvins opvatting dat “de infrastructuur de belangrijkste fysieke en technologische karakteristiek van de moderne stad is” en vertrekt vanuit de premisse dat een ruimtelijke analyse van infrastructuurnetwerken gebruikt kan worden voor het in kaart brengen van een mondiaal stedennetwerk. Deze infrastructuurbenadering kan op haar beurt opgedeeld worden in tweeën. Enerzijds is er een aantal studies dat zich richt op transport, bijvoorbeeld de luchtvaart zoals in het onderzoek van Derudder en Witlox, en anderzijds een aantal dat focust op telecommunicatie, bijvoorbeeld digitale bandbreedtecapaciteit zoals in het onderzoek van Malecki en Rutherford en collega’s. Deze benaderingswijze resulteert in verschillende categorieën, indelingen, posities en rangschikkingen van wereldsteden en op die manier krijgen we een steeds beter beeld van de sleutelsteden in de huidige mondialiseringprocessen. New York, Parijs, Londen en Tokio verschijnen keer op keer als knooppunten in het wereldstedennetwerk.
Kenmerkend voor steden die belangrijke posities innemen volgens het hierboven geschetste onderzoek is dat ze ook een ‘wereldstedelijke allure’ hebben. Wereldsteden tonen hun macht, prestige en mondiaal belang met krachtige architecturale beelden. Indrukwekkende skylines, imposante wolkenkrabbers, concertgebouwen, bruggen en televisietorens als toparchitectuur: het zijn elementen die onbewust geassocieerd worden met steden als Tokio, San Francisco, New York, Londen en Parijs. Daarnaast spelen ook meer dynamische aspecten een rol, zoals evenementen, drukke luchthavens, een multiculturele bevolking en een hectisch metronetwerk.
Sommige steden beschikken over een ‘x-factor’, die doet vermoeden dat ze tot de top der wereldsteden behoren. Deze moeilijk te definiëren karaktertrek is enerzijds terug te koppelen naar de subjectieve beleving van de stad in het urbane landschap en anderzijds te herleiden tot het imago van de stad op mondiaal niveau. We denken daarom dat het interessant is om, anders dan de analytische en kwantitatieve benadering, in deze inleiding van het themanummer Imaginaire Stad dieper in te gaan op de verbeelding en beleving van wereldsteden. Wanneer kunnen we spreken van een wereldstad als we het louter over de beleving in of van de stad hebben?

Architecturale metamorfose
Een cruciaal element in deze beleving en in dit imago is de architectuur. Wellicht het krachtigste beeld van een wereldstad is een skyline vol wolkenkrabbers. Daarnaast roept de fysieke beleving van een stad met een op hol geslagen derde dimensie een gevoel van nietigheid op die het wereldstedelijke karakter kracht bij zet.
Hoogbouw is reeds eeuwen een symbool van belangrijkheid, rijkdom en prestige. Middeleeuwse steden in Vlaanderen zagen in de grootte van hun belfort een maat voor hun stedelijke status. Ook in wereldsteden is hoogbouw hét kenmerk van het ‘central business district’ (CBD), het zenuwcentrum van de stedelijke internationale economische macht. De City of London en Manhattan leveren hiervan misschien wel de krachtigste beelden. Hoewel het belang van CBDs meer en meer wordt ondergraven door stedelijke deconcentratie en verschuiving van de economische macht naar meer perifere locaties, blijft de architectuur van deze zone het wereldstedelijk karakter van de stad bepalen. De relatie tussen economische belangrijkheid van de stad en haar architecturale grandeur wordt echter bemiddeld door tal van lokale factoren.
Het Sydney Opera House, de Eiffeltoren in Parijs en het Empire State Building in New York staan op ons netvlies gebrand. Deze gebouwen zijn als het ware een pars pro toto voor de stad en krachtige symbolen die de wereldstatus van de stad uitdrukken – een eigenschap die de vroegere torens van het World Trade Center in New York duur is komen te staan. We stellen vast dat steden die tot de ‘big league’ van wereldsteden willen behoren, dit zullen doen door middel van architecturale metamorfoses. Architecturale innovaties, state-of-the-arttechnieken, hoogwaardige materialen en vooral concepten van de hand van de internationale architectenelite kunnen een stad een wereldstedelijk karakter schenken en zo een krachtig beleidsmiddel voor opwaardering vormen.
Ook de tweedimensionale opbouw van de stad weerspiegelt door haar ruimtelijke architectuur de mondiale impact. In het verleden hebben tal van steden gestreefd naar een grandeur die hun status kracht moest bijzetten. Wellicht het bekendste voorbeeld is de ruimtelijke herstructurering waarmee Haussmann Parijs transformeerde in een wereldstad vol grootse boulevards. Het vorige AGORA-nummer besteedde uitgebreid aandacht aan een gelijkaardig project: de Zuidas in Amsterdam. Een cruciaal aspect van deze architecturale wereldstedelijke grandeur is de verwevenheid van beeld en fysieke beleving als men zich in deze context bevindt. De ervaring van het perspectief en de kijkas van de Champs-Élysées laat ons meteen wereldstedelijkheid ervaren. Bovendien is de bestaande as uitgebreid met de nieuwe structuren van La Défense. De inpassing en uitbouw van deze locatie heeft het reeds bestaande perspectief verdiept en daarmee de status van Parijs als wereldstad herbevestigd.

Nieuw inzicht?
Het wereldstedelijke karakter wordt bepaald door ideeën en beelden van wereldstedelijkheid en wordt tegelijkertijd ervaren door de ruimtelijke beleving van de stad. De stedelijke architectuur en de architectuur van gebouwen is met andere woorden een veruiterlijking van ‘de imaginaire wereldstad’ en de kenmerken die men hiermee associeert. Architectuur is een discursief middel om het idee van een wereldstad in praktijk te brengen. Wereldstedelijkheid is immers geen gegeven, maar voor veel stadsbesturen wel het hoogste doel.
Het verrijzen van tot de verbeelding sprekende wolkenkrabbers rond de Potsdamer Platz in Berlijn is een voorbeeld van zo’n ‘boodschap aan de wereld’. De Daimlergebouwen en het Sony Center zijn stuk voor stuk adembenemende staaltjes moderne architectuur, verrezen na een grimmige periode van stedelijke verdeeldheid. De locatie wordt echter voornamelijk bezocht voor consumptie en recreatie. Talloze bioscopen – hier vindt jaarlijks de Berlinale plaats, een filmfestival met een mondiale uitstraling – restaurants, cafés en winkelcentra zijn samengebracht op deze monumentale locatie en creëren zonder meer het gevoel dat dit ‘the place to be’ is. Ironisch genoeg blijkt het merendeel van de kantoorgebouwen echter leeg te staan. De massale investeringen, gericht op het aantrekken van grote bedrijven, hebben blijkbaar hun doel gemist. Berlijn zag zelfs de Duitse gigant Siemens vertrekken. Door de keiharde concurrentie van steden als Hamburg, Frankfurt en München blijkt het voor Berlijn zeer moeilijk om economische macht te verwerven. Potzdamer Platz kan zo gezien worden als een poging om aansluiting te vinden bij andere Europese wereldsteden, maar een zonder daadwerkelijk resultaat. Het Berlijnse voorbeeld toont aan dat architectuur cruciaal is om een gooi te kunnen doen naar de status van wereldstad. Echter, ontdaan van werkelijke mondiale economische functionaliteit blijft het voornamelijk bij deze imaginaire beleving van wereldstedelijkheid.
Als we ons richten op de actoren in deze beeldvorming, kunnen we vaststellen dat de architectenbureaus via hun mondiale aanwezigheid meer en meer zelf de katalysators van het mondialiseringsproces worden. Knox (2007) heeft aangetoond dat vooral de Amerikaanse wereldsteden New York, Los Angeles, Chicago en San Francisco, samen met Londen en Tokio, de toplocaties zijn voor architectenbureaus. De aanwezigheid en activiteiten van internationale architecten creëert en bestendigt in deze steden volgens Knox een bepaalde ‘atmosfeer’. Architectuur is dus een belangrijke component van het wereldstedelijk karakter.
Gezien het overwicht van de Amerikaanse wereldsteden is het niet verwonderlijk dat de architecturale wereldstedelijkheid een uitgesproken westers karakter heeft. Het feit dat we een wereldstad onmiddellijk associëren met hoogbouw is wellicht het beste voorbeeld van deze westerse bias. Door dit eenzijdige beeld bestaat het gevaar dat tal van andere vormen en aspecten van wereldstedelijkheid worden gecamoufleerd en dreigt wereldstedelijkheid binnen het neokolonialistische discours een synoniem voor westerse moderniteit te worden. De ‘onschuldige’ associatie valt immers niet los te koppelen van de politieke en economische machtsverhoudingen in de gemondialiseerde wereld. Het is daarom belangrijk de beelden van wereldstedelijkheid te relativeren tot wat ze zijn: beelden. In een tijdperk waarin het beeld belangrijker is dan ooit, dienen we op onze hoede te zijn voor monopoliserende tendensen. Toekomstig wereldstedenonderzoek heeft er alle baat bij wereldstedelijkheid los te koppelen van het dominante beeld, dat slechts één facet is van een mozaïek van wereldstedelijke verbeeldingen, en een kans te geven aan daarvan afwijkende beelden.

Themanummer
Het themanummer Imaginaire Stad belicht de perceptie, verbeelding en mentale geografieën van stadsbewoners. Door ons te baseren op waardevol onderzoek in de stadsgeografie, ruimtelijke planning en antropologie willen we loskomen van statische gedepersonaliseerde visies op het leven in de stad en de stap zetten naar een ‘beleefde’ stadsgeografie.
Behalve een eerste perceptie, kan de stad op een meer symbolische manier gelezen worden. We nemen de stad niet alleen waar, maar kennen er ook betekenis aan toe. Deze betekenisgeving kan een ad hoc instrumentele hulp zijn bij oriëntatie in de stad, maar ook verwijzen naar complexe verwevenheden van plaats, geschiedenis, sociaal weefsel en culturele setting. Precies hier kan de antropologie een waardevolle bijdrage leveren.
Het is de bedoeling om los te komen van het dwingende karakter van de stedelijke structuur en architectuur en ons te richten op de menselijke architectuur in de stad, want ook in afwezigheid van (infra)structuur is er stedelijkheid. Stedelijkheid is doorweven met de nadrukkelijke aanwezigheid van imaginaire werelden die de ruimte een sociale en culturele dimensie verlenen. We kunnen ons de vraag stellen in welke mate deze imaginaire stedelijkheid – die kan variëren voor mensen met verschillende sociale, economische en culturele achtergronden – impact heeft op de ruimtelijke perceptie en beleving van de stad.
Ter illustratie verrijkt Filip De Boeck ons relaas met enkele belevingsaspecten van stedelijkheid in Kinshasa. Kobe Boussauw verschaft ons inzicht in de stedelijkheid van Kosovo, een omgeving waarin oorlog en conflict nog vers in het geheugen liggen. Beelden en verbeelding van stedelijkheid, gericht op traditie en westerse stadsontwikkeling, blijken er zowel in het stadsbeeld als in de hoofden van de mensen een belangrijke rol te spelen. Anderzijds toont Hilde Schelfaut aan hoe stedelijkheid in Vlaanderen qua beleving meer en meer losraakt van de werkelijke stedelijke context. De imaginaire grens tussen stad en open ruimte is in toenemende mate aan het vervagen. Met Karen Büscher keren we vervolgens terug naar Congo, de stad Goma om precies te zijn: een kruispunt van wegen en identiteiten aan de Rwandese grens. Ze toont aan hoe stedelijkheid via alledaagse activiteiten een stempel drukt op processen van veellagige identiteitsvorming.
Daarna geeft Leeke Reinders aan de hand van zijn ‘narratieve’ kaarten van het leven in een Schiedamse wijk een voorbeeld van hoe ‘mental mapping’ bij kan dragen aan inzicht in de daadwerkelijke stadsbeleving. Reeds in de jaren zestig van de vorige eeuw werd door Kevin Lynch progressief onderzoek verricht naar de mentale geografieën van stadsbewoners. Dit onderzoek naar de manier waarop een stad wordt gepercipieerd is heden ten dage nog altijd van belang in de ruimtelijke planning en architectuur.
Tot slot belichten Andrew Hudson-Smith en Andrew Crooks de kracht van imaginaire stedelijkheid, geheel ontdaan van fysieke barrières, in een digitale en virtuele wereld. Hun artikel toont bovendien aan dat het idee van stedelijkheid zo diep geworteld is in de menselijke beleving dat het ook een centrale plaats blijkt in te nemen in een virtuele wereld. Met het oog op de groeiende verstedelijking kan deze experimentele imaginaire stedelijke context wellicht een katalysator worden van ideeën en filosofieën over de menselijke samenleving.
Met deze uitdieping van het thema imaginaire stedelijkheid hopen we tot een beter begrip van stedelijkheid in al haar vormen en betekenissen te komen. Beelden en verbeelding zijn cruciaal in het dagelijks leven en hebben ook voor het toekomstig stadsbeleid en de ruimtelijke planning een niet te onderschatten waarde. Het bestuderen van deze beelden en verbeelding brengt stedelijkheid terug tot het analyseniveau van de werkelijke actoren en hun handelingen: de stadsbewoners en hun alledaagse leven in de stad.

Literatuurselectie
Alderson, A. & J. Beckfield (2004) Power and position in the world city system. American Journal of Sociology 109, 811-851.
Beaverstock, J.V., R.G. Smith & P.J. Taylor (1999) A roster of world cities. Cities 16, 6, 445-458.
Benton-Short, L., M.D. Price & S. Friedman (2005) Globalization from below: The ranking of global immigrant cities. International Journal of Urban and Regional Research 29, 4, 945-959.
Derudder, B. et al (red.) (2004) Wereldstedennetwerk. AGORA 20, 5, 4-28.
Derudder, B. & F. Witlox (2005) An appraisal of the use of airline data in assessments of the world city research. Urban Studies 42, 13, 2371-2388.
Derudder, B. (2006) On conceptual confusion in empirical analyses of a transnational urban network. Urban Studies 43, 11, 2027-2046.
Graham, S. & S. Marvin (2001) Splintering urbanism. Londen, New York: Routledge.
Knox, P. (2007) World cities and the internationalization of design services. In: P.J. Taylor et al. (ed.) Cities in globalization: practices, policies and theories. Londen, New York: Routledge.
Malecki, E. (2002) The economic geography of the Internet’s infrastructure. Economic Geography 78, 399-424.
Riedmann, E. (2004) Wereldstad Berlijn? Illusies en de ironie van de geschiedenis. AGORA 20, 5, 21-24.
Rutherford, J. (2005) Networks in cities, cities in networks: territory and globalisation intertwined in telecommunications infrastructure development in Europe. Urban Studies 42, 13, 2389-2406.
Sassen, S. (1991) The global city: New York, London, Tokyo. Princeton: Princeton University Press.
Sassen, S. (ed.) (2002) Global networks, linked cities. New York: Routledge.
Taylor, P. (2004) World city network. A global urban analysis. Londen: Routledge.


Inhoud

Imaginaire Stad

De verbeelding van de wereldstad
Inleiding – David Bassens, Heidi Hanssens & Lomme Devriendt

Oog voor het onzichtbare
Essay - Filip De Boeck

Stedenbouw in Kosovo: visievorming voor transitie
Casestudie - Kobe Boussauw

Mentale stedelijkheid
Casestudie - Hilde Schelfaut

Stedelijke identiteit in Goma
Casestudie - Karen Büscher

In het hoofd en op papier
Methodologie - Leeke Reinders

Het bouwen van spiegelwerelden
Essay - Andrew Hudson-Smith & Andrew Crooks

Varia

Private woonbuurten of hypersuburbanisatie
Casestudies - Bram Lattré

Zero versus maximum tolerance
Methodologie - Floor Basten

Leren van stedelijk geweld
Beleid - Mellouki Cadat & Vasco Lub

Eerst het individu, pas dan de groep
Boekrecensie - Tina Kelder
Sen, A.K. (2006) Identity and violence: The illusion of destiny. New York: Norton & Company. ISBN 978-0393329292.